Het spiksplinternieuwe magazine Earline (vakblad voor de hoorbranche) is gelanceerd en daarin staat een interview met Carolien en mij! In toekomstige nummers worden spreads uit ons boek WAT zeg je? gepubliceerd, maar eerst moesten de makers ervan natuurlijk grondig aan de tand worden gevoeld. Klik op de afbeelding hieronder om het interview te lezen.

Earline 1 2011, tekst Margot Smeyer

Ander leuk nieuws is dat mijn column in het eerstvolgende nummer van HOREN magazine staat, dus mis hem niet!

Het heeft even geduurd – vanwege allerlei werkbeslommeringen (Marieke) en post-afstudeerperikelen (Carolien) – maar inmiddels is ons boekje te bestellen! Voor degenen die de geboorte van ons boekje hebben gemist: Carolien heeft voor haar afstudeerproject het boekje WAT zeg je? vormgegeven en van illustraties voorzien en Marieke heeft de bijbehorende teksten verzorgd.

In ons boekje staat één dag uit het leven van een slechthorende jongere centraal. Een jongere die moet dealen met zaken als snorrenleed en schreeuwyoga. Met piepende hoortoestellen, lantaarnpalen die niet lekker meebuigen, lastige sex-issues en onverstaanbare omroepberichten. Maar die verder gewoon een heel leuk en druk sociaal leven heeft.

De eerste oplage – limited editions die extra luxe waren uitgevoerd – is inmiddels geheel op, maar nu is WAT zeg je? verkrijgbaar in de volgende full colour uitvoeringen:

  • hardcover: € 25,- (excl. verzendkosten à € 2,30)
  • paperback: € 15,- (excl. verzendkosten à € 1,84)

Wil je een exemplaar bestellen? Stuur dan een mailtje naar carolienhankel<apenstaartje>gmail<punt>com, en vermeld hierin je adresgegevens plus je voorkeur voor paperback of harde kaft. Je krijgt dan een mailtje terug met instructies over de wijze van betalen. Na betaling ontvang je het boekje van je keuze binnen twee weken thuis!

Wij wonen naast een discotheek. Dit lijkt misschien een gruwel, maar wij vinden het geweldig. Niet dat wij er nu de deur plat lopen. We zijn er zegge en schrijve één keer binnen geweest, en dat was overdag. Om kennis te maken met de eigenaar. En ook het publiek van de discotheek vinden we nou niet per se hele gezellige mensen. Nee, wat we zo fijn vinden is dat ons steegje ’s nachts nooit stil is. En dat het door de gekleurde discolampen zo vrolijk verlicht is. Helemaal leuk wordt het als ze een galafeest organiseren. Dan ligt er een heuse rode loper voor onze deur, wat onze thuiskomst een extra feestelijk tintje geeft.

Maar het allerfijnste komt nog, en dat zijn de portiers. Als ik midden in de nacht huiswaarts ga, geeft de wetenschap dat deze potige mannen naast mijn voordeur staan me een veilig gevoel. En zeg nou zelf, wie heeft nu deze service thuis? Oké, ze staan er niet elke avond. Op maandag en dinsdag zijn ze vrij. Maar goed, dat zijn ook niet bepaald de dagen waarop ik zelf een nachtje doorhaal.

Niet alleen zijn zij geweldige buren voor ons, andersom geldt dat ook. Sterker nog, volgens mij zijn wij de beste buren die ze zich kunnen wensen. We klagen namelijk nooit dat we de muziek of het publiek te luidruchtig vinden. Ik omdat ik beide gewoonweg niet hoor. En vriendlief omdat hij overal doorheen slaapt. Zelfs de amoureuze uitingen van de duivenkolonie op ons dak verstoren zijn nachtrust niet. Terwijl ik me daar (met apparaatjes in) juist rot aan erger. Aan die duiven dan, hè…

Maar hoe ‘rustig’ is het bij die buren van ons nou eigenlijk echt? Toen we voor de eerste keer in dit huis sliepen, werd ik midden in de nacht wakker. Nog wat groggy van de slaap wandelde ik naar het raam van de woonkamer om ons nieuwe uitzicht bij nacht te aanschouwen. Om vervolgens mijn ogen uit te wrijven. Mezelf te knijpen om te controleren of het wel echt voor mijn neus gebeurde. In de steeg naast ons huis stonden politiewagens, en daartussendoor manoeuvreerden agenten te paard. Twee busjes van de ME bewaakten de ingang van de steeg, omringd door tientallen feestgangers. Er was een hoop commotie, maar met mijn lege oren maakte ik dat vooral op uit lichaamstaal en gezichtsuitdrukkingen. Sprakeloos drukte ik mijn neus tegen het raam. Gebeurde dit écht? Ik liep een rondje door het huis en keerde terug naar de vensters, maar al die uniformen stonden er nog steeds. En de straat stroomde steeds voller met mensen; blijkbaar werd de discotheek ontruimd.

Terug in de slaapkamer verwachtte ik vriendlief rechtop in bed aan te treffen. Klaarwakker en met vragende ogen. Maar nee, zijn bewegingloze lichaam ademde één en al diepe slaap. In gedachten voegde ik de tevreden snurkgeluidjes eraan toe. Terwijl onder ons slaapkamerraam zich van alles afspeelde, vertrok ook ik weer in alle stilte richting het land der dromen.

De volgende ochtend zitten we met een kop koffie in de vensterbank, uit te kijken op een uitgestorven straat en steeg. Verbaasd hoort mijn vriend mijn relaas aan. Ongelovig ook. Zelf begin ik ook te denken dat het slechts een absurde droom was. Tot ik later die dag eens bij de buurman informeer, die toevallig in de discotheek werkt. ‘Oooh dat,’ reageert hij nonchalant. ‘Ja, dat klopt, er was een vechtpartijtje, en toen kwam het voltallige korps met wagens en paarden. En daarna kwam ook nog de ME zich ermee bemoeien. Maar na die ontruiming ging het feest gewoon door, hoor!’ 

Op een doorsnee dag in september vorig jaar kwam er een lange mail binnen. Die werkelijk óverliep van vurig enthousiasme. Alleen al de beginzin maakte me vrolijk: “Op jouw blog belanden is voor mij als een toevalstreffer van het lot!”

Aan het woord was Carolien Hankel, slechthorende studente aan de Kunstacademie. Ze stelde dat het de hoogste tijd werd dat het gehoorapparaat dezelfde status krijgt als de bril. Geïntrigeerd las ik verder. Haar afstudeerproject wilde ze daarom wijden aan het ‘slechthorend zijn’. Maar op een positieve manier, met zelfspot en humor. Zonder taboes. En toen stuitte ze op mijn blog. Misschien konden we onze krachten bundelen? Bijvoorbeeld dat zij illustraties zou maken bij mijn teksten?

De afsluiting van haar mail klonk me als muziek in de oren: “Wil je een keer met me afspreken? Niet met een vervelende lijst aan vragen, maar gewoon gezellig met een wijntje in de kroeg.” Hier hoefde ik niet lang over na te denken. En mailde haar terug: “Hoe kan ik hier nou géén zin in hebben…” De eerste ontmoeting was een feit.

Hoewel het even spannend was (twee slechthorenden in de kroeg, wordt dat wat?), klikte het direct en om de enkele miscommunicaties die ontstonden konden we allebei hard lachen. Het wijntje werd meerdere biertjes, de kroeg werd verruild voor een terrasje in de Jordaan.

Meerdere ontmoetingen volgden, en gaandeweg ontstond het idee voor een boekje waarin een dag uit het leven van een slechthorende jongere centraal zou staan. Een jongere, die moet dealen met zaken als snorrenleed en schreeuwyoga. Met piepende hoortoestellen, lantaarnpalen die niet lekker meebuigen, lastige sex-issues en onverstaanbare omroepberichten. Maar die verder gewoon een heel leuk leven heeft.

Inmiddels zijn we ruim een half jaar verder. Carolien is geslaagd (hoera!) en haar afstudeerproject (ons boekje dus, met de titel WAT zeg je?) zal te bewonderen zijn op de afstudeerexpositie van de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Zie voor locatie en data de affiche hieronder en ook het bericht op de website van de NVVS. Iedereen die wil komen kijken, is van harte welkom!

Naschrift: Na de expositie zal ons boekje ook te bestellen zijn. Meer informatie hierover (prijs, bestelwijze) volgt binnenkort!

Onze kater is enorm lui én enorm groot. Het liefst ligt hij bij vriend op schoot, omdat de mijne te klein is. Alleen als ik languit op de bank lig, wil hij het nog wel eens bij mij proberen. Met zijn kop half begraven in mijn nek en zijn achterpoten over mijn knieën past dat net. We noemen hem liefkozend Lobbes. Of Levend Dekentje, waarbij de verkleinvorm vooral wordt toegepast vanwege het feit dat het liefkozend is bedoeld. Hij is nu eenmaal niet klein.


Zoals gezegd hangt deze halve sneeuwtijger het liefst op de schoot van vriendlief, vooral als die aan zijn bureau zit te schrijven. Dan komt Lobbes meteen aangehobbeld. Om zacht mauwend zijn verlangen kenbaar te maken. Als antwoord draait V. zijn stoel uitnodigend in zijn richting, waarop de kater met een nogal onhandige maar gelukzalige plof op zijn bovenbenen belandt.

De eerste paar keren vond V. het nog best, schrijven met Lobbes op schoot. Totdat hij last van zijn rug en schouders begon te krijgen. Want Lobbes neemt zoveel ruimte in beslag dat V. zijn stoel niet meer zo lekker kan aanschuiven. Er zit een berg kat tussen. En voorovergebogen tikken werkt niet erg ontspannend voor zijn nek- en schouderspieren. Laat staan dat het bevorderlijk is voor zijn inspiratie. Daarom wisselt V. het nu af. De ene keer mag Lobbes op zijn schoot en neemt V. genoegen met het kijken naar filmpjes op YouTube. De andere keer is het V.’s schrijfbeurt en moet Lobbes genoegen nemen met een andere ligplaats.

Lobbes is daar vanzelfsprekend niet zo blij mee, als V. verschijnselen van Oost-Indische doofheid vertoont. En bij gebrek aan beter uit hij zijn mauwtjes aan de overkant van het bureau, waar ondertekende zit te tikken. Dan maar een minischootje voor deze ene keer, denkt hij. Hij moet toch wat.

Maar ondertekende hoort zijn lieflijke mauwtjes óók al niet. Daarom gaat hij uit pure frustratie harder mauwen. En nog harder. Uiteindelijk mauwt hij uit volle borst. En zowaar, dat helpt! Ze kijkt op! Hoppa, met een lome lompe sprong nestelt hij zich lekker op haar benen. Tis wat krapjes, maar het gaat. Zolang ze allebei maar hun buik inhouden.

Tot zover alles goed en wel, maar inmiddels zijn we ruim twee maanden verder. En is Lobbes van een beschaafde mauwerd veranderd in een kat die zich qua stemvolume kan meten met die van een bekende operazanger. Vrienden die langskomen horen zijn lied met stijgende verbazing aan. De buurman informeert of “die kat soms hardhorend is”. En wij vragen ons vertwijfeld af hoeveel méér decibellen Lobbes in vredesnaam nog gaat produceren teneinde zijn dove en Oost-Indisch dove baasjes iets duidelijk te maken.

Aangezien er aan mijn gehoor weinig kan worden verbeterd, is er maar één oplossing. Vriendlief zal vanaf nu te allen tijde zijn schoot beschikbaar moeten stellen. Of het hem nu uitkomt of niet. En misschien, héél misschien, dat Lobbes dan weer een beschaafd mauwerdje wil worden… (Waarbij de verkleining wederom puur liefkozend is bedoeld.)

Met de toelichting ‘Als jij je blog niet vult, doe ik het wel’ kwam vriendlief zomaar ineens met een nieuw stukje op de proppen. Voor op mijn blog dus. Hier komt-ie!

Gefluit? Gepiep? Gekraak? Lopen de katten soms te jammeren? Is er een uit de kluiten gewassen muis die zijn aanwezigheid kenbaar wil maken? Heeft de buurman sjans?
Het is half acht op zaterdagochtend en ik word wakker van een bijzonder irritant, onregelmatig terugkerend geluid. Alsof een rubberen zool over een zeilvloer schraapt. Alsof scherp krijt tegen een ruw schoolbord strijkt. Ik draai mijn hoofd naar alle vier de windrichtingen, om erachter te komen waar het geluid vandaan komt. Is het in de slaapkamer? Komt het van buiten? Ik kom er niet achter en kan dat niet uitstaan!

Ik kijk opzij naar Marieke. Zij heeft uiteraard niets in de gaten. Hoort niets. Ziet niets. Is in diepe slaap en laat zich daar niet uithalen door het feit dat ik dat wel ben. Heel voorzichtig stap ik uit bed om op onderzoek uit te gaan.

Naarmate ik dichter bij de cv-ketel kom, neemt het volume van het geluid toe. De bron lijkt achterhaald! Vlug kijk ik naar boven, naar de koolmonoxidemelder die boven in onze nok hangt. Maar dan hoor ik niets meer… Nee, wacht. Ja! Het scherpe gefluit klinkt synchroon met een oplichtend lampje op de melder! Er is wat aan de hand! Er lekt koolmonoxide! We worden langzaam vergiftigd!
Dat betekent dat toch? Zo’n ding piept toch alleen als er wat aan de hand is? Ik kijk naar Marieke. Die ligt wel heel lekker te slapen. Maar ja, liever het zekere voor het onzekere nemen, nietwaar?

Ik loop naar haar kant van het bed, schudt zacht haar schouder en wacht ongeduldig tot ze ontwaakt. Als ze wakker wordt, kijkt ze me ietwat beduusd aan, grote verwarring kenbaar makend. (‘Het is toch weekend? Je hoeft me niet wakker te maken vandaag. Ik hoef niet naar m’n werk. Toch? Toch?!’) Ik wijs met beide wijsvingers naar mijn oren, om haar duidelijk te maken dat ze haar apparaatjes in moet doen. Pas dan slaat haar blik om. Heel even denk ik irritatie waar te nemen. (‘Het is dus inderdaad weekend! Je moet wel een hele goeie reden hebben om mij nu wakker te maken!’)

‘Wat is er?’

‘De koolmonoxidemelder gaat af!’ zeg ik licht paniekerig.
‘Wat?’
‘De koolmonoxidemelder! Hij gaat af!’
Ze blijft even stil, luistert aandachtig, maakt zich beduidend een stuk minder druk dan ik. Dan vliegt er weer een harde fluit door de slaapkamer.
‘Nou, hoor je dat!’ roep ik bezorgd. ‘Hij gaat af. De ketel is stuk!’
Ze zucht, legt haar hoofd weer op het kussen en maakt aanstalten om haar apparaatjes weer op te bergen.
‘Niks aan de hand,’ zegt ze rustig. ‘Ik ga weer verder slapen. Maar nu jij toch op bent, vervang dan gelijk de batterijen van dat ding voordat ze helemaal op zijn, wil je?’

Even later sta ik op een keukentrapje dat ding van zijn houder te schroeven. Zo dicht op mijn oren klinkt hij nog veel scheller dan daarvoor en mijn humeur wordt er niet beter op. Toch heb ik weer een wijze les geleerd. Best leuk om goed te kunnen horen. Maar als je geluiden niet kunt thuisbrengen, heb je er nog niet zo veel aan. En tja, zo moet Marieke zich best vaak voelen…

Inmiddels ligt de bewuste Flair niet meer in de winkel, maar voor degenen die het interviewtje met mij gemist hebben, komt hier een link naar de pdf: Marieke in de Flair.

Samen met mijn vader zit ik aan de thee. Ik heb net mijn eerste slokje genomen als mijn vader alweer vraagt: “Wil je nog een bakje thee?”

Ik vind zijn vraag een beetje gek; zijn mok zit nog net zo vol als de mijne. Maar blijkbaar heeft hij heel erge dorst, en ik antwoord: “Doe maar een kopje koffie.”

Mijn vader kijkt me verwonderd aan, zijn wenkbrauwen hoog opgetrokken. O nee, hè, denk ik bij mezelf. Daar gaan we weer… Zo nonchalant mogelijk informeer ik: “Eh, wat vroeg je nou precies?”

Hij zegt met enige nadruk: “Of je nog wat bij de thee wilde. Iets lekkers. Maar als je koffie bij je thee wilt, dan kan dat ook natuurlijk!!!”

Het heeft even geduurd, en eindelijk is het zo ver: deze week staat het interviewtje met mij in het tijdschrift Flair! Ben heel tevreden met het resultaat, ook met de foto’s. Beetje jammer is dat mijn webadres ontbreekt (foutje!), maar gelukkig ben ik ook wel redelijk te vinden via Google inmiddels. En anders wel via de weblog van Kim, die wél wordt genoemd in het interview…

PS: Voor degenen die net als ik de merkwaardige gewoonte hebben om een tijdschrift van achter naar voren te bladeren en mij maar niet kunnen vinden: ik sta direct op de allereerste pagina!

PPS: En voor degenen die zich afvragen wanneer weer een nieuw stukje online komt, stop asjeblieft met mailen, ik zal het uitleggen… Ons huishouden is sinds kort uitgebreid met twee blue colourpoint ragdolls waarbij alle superlatieven verbleken: ze zijn té lief, té gezellig, té mooi en té leuk. Onze slechte bereikbaarheid en matige productiviteit zijn dus te wijten aan urenlange knuffelsessies en speelpartijtjes met deze pluizige ragebollen (oja, en de muizen zijn verdwenen, halleluja!). Maar nieuwe stukjes zijn in de maak!

Nog niet zo lang geleden werd ik ’s ochtends wakker met de ontdekking dat ik dertig was geworden. Dertig! Nu ik zo’n volwassen leeftijd had bereikt, vond ik het de hoogste tijd worden voor wat meer liefdadigheid in mijn leven. En dus toog ik naar de vrijwilligerscentrale om de hoek om te informeren naar de lopende vacatures.

Vanwege mijn fulltime baan vallen de meeste vacatures af – want die zijn overdag. Vrijwilligerswerk in de baas z’n tijd wordt door mijn baas vast niet bijster gewaardeerd, schat ik zo in. Uiteindelijk valt de keus op het project Tafel voor Twee. Ik word gekoppeld aan een eenzame oudere dame met wie ik regelmatig een hapje zal gaan koken en eten.

Voor een kennismaking ga ik bij d’r op de koffie en blijf er meteen twee uur zitten kletsen. Dat zit dus wel snor. Al is het wel even slikken als ze meedeelt dat ze alleen maar Hollandse pot blieft (de laatste gekookte aardappel at ik op de middelbare school). Maar vooruit, alles voor het goede doel. En zeg streng tegen mezelf dat ik gewoon niet zo moet piepen over die piepers.

Als ze vervolgens vertelt dat ze regelmatig iemand tekort komen bij haar klaverjasclubje, ben ik daar direct voor te porren. Het is zeker twaalf jaar geleden dat ik voor het laatst heb geklaverjast, en heb het sindsdien ontzettend gemist. Ik vermeld nog maar wel even dat ik ‘een beetje doof’ ben. ‘Joh, dat geeft niks,’ luidt haar opgewekte antwoord, ‘dat zijn we hier allemaal!’

Tijdens de klaverjasavond blijkt dat ze geen woord teveel heeft gezegd. Het ene hoortoestel na het andere druppelt binnen. We vergelijken ze onderling en leggen allemaal een fluitend hoorapparaat op tafel. Vier verschillende kleuren: beige, champagne, grijs en bruin. Van heel klein in het oor tot heel groot achter het oor (die van mij). We mopperen luidkeels over audiciens, herkennen onszelf in elkaars verhalen over schurende oorstukjes en losrakende slangetjes, en als iemand opstaat met de mededeling: ‘Verdorie, ik ben mijn batterijtjes vergeten,’ grijpen drie paar handen in hun bijbehorende handtasjes om die van henzelf op te duikelen.

Dan wordt het tijd voor actie. Samen met mijn 86-jarige ‘maat’ neem ik het op tegen twee bloedfanatieke dames van 77 en 92 jaar. Hun aantijgingen zijn niet van de lucht: ‘Je had die aas moeten opgooien, muts!’ ‘Welnee, jij had gewoon moeten troeven, schat!’ Ondertussen vliegen de talloze “Wat-zeggie’s” en “Hè’s” over de tafel, soms met een venijnig ‘Praat nou ’s wat harder!’ erachteraan, gevolgd door een ‘Niet zo luid joh, ik ben niet doof!’

Ik geniet met volle teugen van het gekissebis, de spraakverwarring en de lieve goedmakertjes. Glazen wijn worden bijgevuld, die een van de dames eigenlijk niet mag hebben van de dokter. Ze knipoogt: ‘Ach, wie zegt dat ik die dokter wel goed heb verstaan.’ Als ik naar het toilet ga, roept iemand me achterna of ik hulp nodig heb. Verbijsterd kijk ik achterom, hoorde ik dat nou goed? Een daverende lachsalvo achtervolgt me tot aan de wc.

De avond vliegt voorbij en voor ik het weet zit ik weer in de bus naar huis. In gedachten beleef ik de avond opnieuw. En bedenk ineens: ooit, als ik zelf een bejaarde dame ben, zal ik niet meer de enige in mijn omgeving zijn met slechte oren. Want als mijn vrienden de zeventig zijn gepasseerd, zullen velen van hen eveneens aan hoorapparaatjes moeten geloven. Dan ben ik niet meer de enige! Als je het zo bekijkt, vind ik het eigenlijk helemáál niet erg, ouder worden…

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 128 other followers